BLOG
Koken met Japie de Witte deel 5
Jawel, jawel, ik leef nog grillgabbers en kruidenkanjers! Het heeft even geduurd, ik geef het toe en om eerlijk te zijn, ik heb de afgelopen maanden mijn twijfels gehad. Bijna had ik de bakspaan erbij neergesmeten, alles in mijn leven draaide immers nog om die verdraaide Jeetjes, hoe kon ik die andere grote liefde in mijn leven dan nog de aandacht geven die ze verdiende? De kick van de kookkunst kwijnde weg in m'n donkerste hersenkwabben. Totdat zo nu en dan op het gastenboek de signalen binnenkwamen, men miste mij en mijn prachtrecepten. Daarom, genoeg geluld, het is tijd voor deel 5 van koken met J.d.W Deze aflevering belicht een van de beroemde Volendammer visrecepten, DE GESTOOFDE SCHOL. Zoals jullie van mij gewend zijn, eerst een stukje geschiedenis. Het volgende gaat over een van de meest bizarre ervaringen in mijn leven, het is een waar gebeurd verhaal.
Het was ongeveer 1962 en ik was dus ongeveer 9 jaar oud. Mijn oudste broer, Jan, was toen 19, en visser op de Noordzee. Jan vertrok zondagsavonds naar IJmuiden, waar de kotter lag, werkte een hele week, en kwam vrijdagsmiddags weer naar huis. Het was zwaar werk, met weinig slaap, maar de verdiensten waren goed. Als mijn broer thuis kwam, was er voor mij werk aan de winkel. Jan nam altijd een leren plunjezak ter grootte van een boksbal gevuld met verse vis mee naar huis. Op het achterplaatsje werd deze dan geleegd in een wastobbe. Deze massa vis, die voor een groot deel nog leefde, bestond meestal uit vier of vijf soorten. Het grootste deel was altijd schol, schar en tong. Aan mij was nu de taak om de vis te sorteren en rond te brengen naar familie, vrienden en kennissen. Met een emmer aan het stuur van m'n fiets reed ik het dorp rond, bezorgde de welkome gratis portie vis, en ontving daar altijd een flinke fooi voor. Het was op mijn leeftijd een riante bijverdienste. Op een dag zei mijn moeder, die me vaak een beetje hielp met het sorteren: ' Jaap, je moet eens wat scholletjes brengen bij mijn tante Geesje (de naam is voor dit verhaal veranderd) dat mens kan best een extraatje gebruiken.' Ik schrok even, Geesje was bij ons kinderen een begrip. Ze leefde op een klein boerenlandje, iets buiten de bebouwde kom van ons dorp. Tot voor enkele jaren had ze op het lapje grond wat kippen en een geit gehad. De producten daarvan verkocht ze, om haar weduwenpensioentje aan te vullen. Om onbekende redenen was de 'veestapel' verdwenen.
De mensen zeiden dat Geesje niet helemaal goed meer was. Volgens de kinderen van het dorp was ze dat nooit geweest. Door de afgezonderde ligging van haar woning, haar nogal verwilderde uiterlijk en het feit dat ze nauwelijks met andere mensen omging, was het voor de jeugd volkomen duidelijk, dat we hier met een heks van het ergste soort te maken hadden. Moeder wilde niets van m'n protesten weten: 'Allemaal onzin, die vrouw heeft het al moeilijk genoeg.' Zo reed ik mijn fiets het boerenlandje op, zette hem tegen het verlaten kippenhok en liep naar de voordeur. Als knieë® ooit knikten.... De voordeur was gesloten, op slot, wat ongebruikelijk was in die tijd in het dorp. Ik klopte op de verduisterde voordeur, en sneller dan ik verwacht had, stond ze in de deuropening. Ik had haar al minstens een jaar niet gezien, ze verliet haar woning zelden meer, en zag er verwaarloosder uit dan ooit. Ik bedwong de neiging om weg te rennen, en vertelde haar dat ik wat scholletjes moest brengen van mijn moeder en of ze die wilde hebben. Haar hoofd kwam angstig dichtbij mijn gezicht toen ze voorover boog om in de emmer te kijken, en met een verassend lieve, zachte stem vroeg ze:'Hoe zijn ze er aan toe?' 'Kijk ze leven nog een beetje,' zei ik trots. 'Goed ik zie wel wat ik kan doen,' antwoordde ze raadselachtig.
Vanaf die dag bracht ik elke week een scholletje of 5 bij haar, ze was vriendelijk, maar ging wel steeds zorgelijker kijken. 'Ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoud,' vertrouwde ze me een keer toe. 's Nachts treurde mijn gevoelige kinderziel om die oude, eenzame vrouw. De maanden gingen voorbij en er veranderde maar 驮 ding, de lucht, de geur ofwel de stank die bij haar uit de woning walmde, als de voordeur openging. Al vanaf de eerste keer had het er nooit fris geroken, hygi뮥 was in die tijd een vrijwel onbekend begrip, maar bij Geesje was het wel heel erg. Nooit was ik tijdens mijn bezoekjes in haar woning geweest, alles werd altijd bij de voordeur afgehandeld. Als ik op de voorruit tikte, kwam ze te voorzijn met een pan waarin ik mijn visemmer leegde, en na een vriendelijk knikje, verdween ze dan weer in haar huisje. De stank werd zo erg dat voorbijgangers en buren gingen klagen, ingegrepen werd er niet. Toen kwam er op een heel vreemde manier een eind aan mijn contact met Geesje.
Toen ik na ongeveer een half jaar mijn wekelijkse bezoek weer bracht, gebeurde er het volgende. Geesje opende de voordeur en maakt een heel zwakke, afwezige indruk. Zelfs op die jonge leeftijd besefte ik dat ze zwaar ziek was, wat niet vreemd was, met de dampen die er uit het huisje ontsnapten. Toen ze met haar verse portie vis haar huiskamer in wilde gaan, vergat ze de voordeur te sluiten. Ook de deur van de huiskamer liet ze open, waarna ze wankelend de halfduistere kamer instapte. Er kwam me nu een werkelijk onbeschrijfelijke stank tegemoet. toch wilde ik iets doen, toen ik zag dat de oude vrouw in de schemerige kamer dreigde om te vallen. In een reflex rende ik de ruimte binnen om haar op te vangen. Ik was net op tijd en kon haar op een stoel neerzetten. Geesje zat met haar hoofd omlaag onverstaanbaar te mompelen. Nu gebeurden er twee dingen met me, ik voelde dat ik niet meer kon ademen, en ik werd me bewust van de situatie in de kamer. De ramen waren verduisterd, en de kamer werd alleen verlicht door tientallen kaarsen en waxinelichtjes. In het gelige schijnsel zag ik nu de oorzaak van de afschuwelijke atmosfeer. Op de vloer lagen honderden netjes geknipte rechthoekjes van krantenpapier, deze waren in keurige rijen naast elkaar gelegd, als bedden in een ziekenhuis. Op ieder bedje lag een scholletje, in alle mogelijke stadia van verrotting. Op dat moment begaf mijn verstand het, ik zakte in elkaar, viel achterover en verpletterde een aantal van Geesjes patië®´en met mijn hoofd. Net voordat alles zwart werd, zag ik dat elke rottige schele vissenkop netjes op een kussentje lag van een opgerold stukje textiel. Geesje had een ziekenhuis voor vissen. Uren later werd mijn moeder ongerust, ze wist dat Geesje mijn laatste adres was, en stuurde mijn oudere zuster om te kijken waar ik bleef. M'n zus zag m'n fiets en mij niet, ze waarschuwde de buren en samen vonden ze me uiteindelijk. Tussen de andere hulpbehoevenden, lag ik op een paar oude kranten met mijn hoofd op een paar vodden.
Omdat ik me niet kan voorstellen dat iemand nu direct trek heeft in schol, houden jullie het recept nog even te goed.
Jullie Jaap de Witte, kookgek.








